Geschiedenis | Ministerie van Veiligheid en Justitie

U bent hier:Home Over de Raad  Geschiedenis

Geschiedenis

Op deze pagina vindt u een overzicht van de geschiedenis van de kinderbescherming en de Raad.

Zorg in de kinderschoenen

Al heel lang zetten mensen zich in voor de zorg om kinderen. Een voorbeeld daarvan zijn de vroegere burgerweeshuizen. De weeshuizen werden opgezet door kerken of waren particuliere initiatieven.

Dat kinderen thuis wel eens slaag kregen, werd gezien als onderdeel van de opvoeding. De vader was het hoofd van het gezin en ingrijpen in een gezin om kinderen te beschermen, kwam niet in mensen op.

Eind 19e eeuw werd de roep om wetten voor kinderbescherming groter. Kindertehuizen voelden zich machteloos omdat ouders altijd hun kind konden ophalen. In 1901 werden de 'Kinderwetten' aangenomen. Het ging om drie wetten:

  • maatregelen om kinderen te beschermen, waarbij ouders niet meer zelf over hun kinderen konden beslissen;
  • nieuwe regels voor het jeugdstrafrecht;
  • voorschriften voor de uitvoering van maatregelen.

Naar boven

De voogdijraad

Met deze wetten was het in het uiterste geval mogelijk een kind bij de ouders weg te halen en een voogd het gezag over het kind te geven. 

In 1905 werden de voogdijraden ingesteld. Hier konden gevallen van verwaarlozing worden gemeld. De voogdijraden stonden tussen het ministerie van Justitie en de particuliere organisaties in. Ze hadden als belangrijkste taken: het adviseren van de rechter, het opvangen van kinderen en het toezien op het werk van de tehuizen. De voogdijraden bestonden voornameljk uit vrijwillige burgers, die werden ondersteund door enkele betaalde medewerkers.

In 1922 werd een nieuwe maatregel ingevoerd: de ondertoezichtstelling. Het kind kon dan wel bij de ouders blijven wonen, maar het gezin kreeg begeleiding van een gezinsvoogd. Tegelijk met deze nieuwe maatregel werden er ook speciale kinderrechters aangesteld. Deze kregen de taak om de ondertoezichtstelling uit te spreken. Ook kregen ze de leiding over de uitvoering van deze ondertoezichtstelling. Deze combinatie heeft standgehouden tot 1 november 1995, toen de uitvoering overging naar de gezinsvoogdij-instellingen.

Vanaf 1956 kwam er een nieuwe opzet van de voogdijraden. Zij gingen over in de nieuwe raden voor de kinderbescherming, die uit een college en een bureau bestonden. Het college was eigenlijk de oude voogdijraad van vrijwilligers en had het laatste woord bij belangrijke beslissingen.

Ieder arrondissement had zijn eigen Raad voor de Kinderbescherming. Onderzoeken werden uitgevoerd door het bureau, dat vanaf 1956 steeds meer uit professionele maatschappelijk werkers ging bestaan.

Naar boven

Kritiek

Begin jaren '70 was er veel kritiek op de kinderbescherming in Nederland. Hulpverlening moest dichter bij huis plaatsvinden en het liefst in het gezin zelf. Ook op de werkwijze van de Raden was kritiek. Er werd een aantal commissies ingesteld, één door het ministerie van Justitie (commissie Gijskens) en één door de Tweede Kamer (commissie Vliegenthart). In 1989 werd de wet op de jeugdhulpverlening aangenomen. De Raden moesten zich nadrukkelijker gaan bezighouden met het onderzoek; voor hulp moest iemand worden doorverwezen naar andere instanties.

Naar boven

De Raad nu

Eind jaren '80 brak er weer kritiek los over de kinderbescherming. Men vond dat de deskundigheid van raadsmedewerkers groter moest zijn. En niet de kinderrechter maar (gezins)voogdij-instellingen moesten de ondertoezichtstelling uitvoeren. Bij de Raden voor de Kinderbescherming leidde dit in de jaren '90 ook tot discussie over de organisatiestructuur en de kerntaken. Uiteindelijk heeft dit geleid tot de huidige situatie: één Raad voor de Kinderbescherming met een Landelijke Directie, een Landelijk Bureau en 22 lokale vestigingen. Ook de Raad is multidisciplinair gaan werken door het in dienst nemen van pedagogen en psychologen.

Naar boven

Meisjes met boek