Vondelingen | Ministerie van Veiligheid en Justitie

U bent hier:Home Wat doet de Raad? Afstand, Screening, Adoptie en Afstammingsvragen (ASAA)  Vondelingen

Vondelingen

In Nederland wordt heel af en toe (gemiddeld één keer per jaar) een jong kind levend en hulpeloos achtergelaten. Meestal gaat het om een erg jong kind, dat nog volledig afhankelijk is van de zorg van anderen.

Het kind wordt over het algemeen te vondeling gelegd, omdat de ouder psychisch in de war is of geen andere uitweg ziet. Maar het kan ook door iemand anders dan de eigen ouder(s) zijn achtergelaten. Meestal gaat het om een alleenstaande moeder, waarbij de vader onbekend is (letterlijk uit beeld is verdwenen of in de beleving van de moeder niet met de zwangerschap en geboorte bekend mag worden).

Een kind dat hulpeloos wordt achtergelaten kan daar ernstige schade door oplopen. Het kind kan zelfs overlijden, als het niet tijdig wordt opgemerkt. Wie een kind hulpeloos achterlaat, brengt het in levensgevaar. Een kind te vondeling leggen is daarom een ernstig strafbaar feit. Politie en justitie starten altijd direct een onderzoek om de identiteit van de ouders te achterhalen. Overigens niet alleen omdat er sprake is van een strafbaar feit, maar vooral omdat een kind het recht heeft om door zijn eigen ouders verzorgd en opgevoed te worden.

Achtergronden

Welke beweegredenen ouders ook hebben, er is in hun beleving altijd sprake van ernstige problemen. Ze zien geen uitweg en handelen vaak in paniek of in een roes. Er zijn verschillende redenen bekend waarom ouders een kind als vondeling achterlaten.

  • Strikte normen rond seksualiteit. Vaak gaat het dan om opvattingen van de eigen ouders en de omgeving over seks voor het huwelijk, verlies van maagdelijkheid, ongehuwd zwanger zijn, buitenechtelijke relaties of zwanger zijn van een gehuwde man;
  • Ernstige gebeurtenissen zoals verkrachting of incest;
  • Angst voor de eigen partner, wanneer die niet de verwekker is;
  • Angst door (levens)bedreiging;
  • Angst voor het verliezen van werk;
  • Angst voor uitzetting of illegaliteit.

Naar boven

Hulp aan het kind

Wie een kind in hulpeloze toestand aantreft, moet snel en adequaat handelen. De gezondheid van het kind komt op de eerste plaats. Dat betekent dat de vondeling meteen naar een ziekenhuis of huisarts gebracht moet worden. Pas daarna worden andere hulpverleners ingeschakeld.

Naar boven

Zoeken naar ouders

De zoektocht naar de ouders start direct na de melding van de vondeling. Ziekenhuizen en huisartsen zijn verplicht de politie op de hoogte stellen als zij met een vondeling geconfronteerd worden. De politie zet haar opsporingsbevoegdheid in om de ouders te vinden, waarna hulpverleningsinstellingen bekijken of en hoe zij ouders en kind kunnen bijstaan.

Naar boven

Aangifte, naam, voogdij

Als een kind hulpeloos wordt aangetroffen, moeten er verschillende stappen worden gezet om ervoor te zorgen dat het kind beschermd en verzorgd kan worden.

1. Aangifte van de geboorte
Gaat het om een pasgeboren kind, dan licht de politie het Openbaar Ministerie in, waarna de officier van justitie de burgemeester inschakelt. De burgemeester meldt de vondeling aan bij de afdeling Burgerzaken van zijn gemeente en zorgt voor de geboorteakte.

2. Naamgeving
In de wet staat dat de ambtenaar van de burgerlijke stand de vondeling een naam geeft. De definitieve voor- en achternaam worden vervolgens vastgesteld bij Koninklijk Besluit. Wijziging van deze naam is mogelijk, bijvoorbeeld als de ouders gevonden worden of bij eventuele adoptie van het kind.

3. Voorlopige voogdij
Zolang de ouders onbekend zijn, heeft niemand het gezag over het kind. Daardoor kan bijvoorbeeld een ziekenhuis ernstig beperkt worden bij de behandeling van het kind. Er is immers niemand die daar toestemming voor kan geven. Daarom is het van groot belang dat het gezag over het kind snel geregeld wordt. Om dat te regelen wordt de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld. De Raad vraagt zo snel mogelijk een voorlopige voogdijmaatregel aan de rechter. De rechter neemt een voorlopig besluit over het gezag. Deze voorlopige maatregel maakt het mogelijk dat een voogdij-instelling als voogd wordt benoemd. Deze instelling krijgt vervolgens het gezag en neemt alle verdere beslissingen over de vondeling.

Naar boven

Opvang

Afhankelijk van de lichamelijke en geestelijke conditie van het kind gaat de voogd direct op zoek naar een opvangtehuis of een tijdelijk pleeggezin voor een zogenoemde 'neutraal terrein-plaatsing'. De voogd werkt daarbij samen met een Voorziening voor Pleegzorg, die een beroep doet op pleeggezinnen die specifiek zijn voorbereid op tijdelijke zorgtaken. In het pleeggezin of tehuis krijgt het kind verzorging en aandacht, tot de ouders zich melden of worden opgespoord. Worden de ouders niet achterhaald, dan doet de rechter na verloop van tijd een uitspraak over de definitieve gezagsvoorziening.

Naar boven

Definitieve gezagsvoorziening

Gedurende de periode van voorlopige voogdij start de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek om de rechter te adviseren over het definitieve gezag. Daarvoor vindt onder meer gezamenlijk overleg plaats tussen de Raad voor de Kinderbescherming, de voogdij-instelling en (als de ouders inmiddels bekend zijn) Fiom of Siriz. Alle betrokken instellingen gaan ervan uit dat een kind in principe het best bij zijn eigen ouders kan opgroeien. Daarom wordt altijd de mogelijkheid besproken dat de ouders alsnog bij de opvoeding van hun kind betrokken worden.

Ongeveer drie maanden nadat de vondeling is aangetroffen, volgt een zitting bij de rechter. De rechter neemt dan een besluit over het gezag over de vondeling.

Naar boven

Hulpverlening aan de ouders

Ouders laten hun kind niet zo maar hulpeloos achter. Bijna altijd gaat dat gepaard met grote emotionele, sociale en psychische problemen. Zij moeten daarom zo snel mogelijk gevonden worden, waarna de hulpverlening op gang kan komen. Eerste aanspreekpunten daarvoor zijn Fiom en Siriz, instellingen die onder andere vrouwen begeleiden die onbedoeld of ongewenst zwanger zijn. Om de hulp goed voor te bereiden, leggen de politie en de officier van justitie vroegtijdig contact met Fiom of Siriz, soms al meteen bij het aantreffen van het kind. Vrouwen die al tijdens de zwangerschap hulp zoeken, kunnen zich ook rechtstreeks bij Fiom of Siriz melden.

  • Fiom, Kruisstraat 1, 5211 DT ’s-Hertogenbosch, telefoon (073) 612 88 21, e-mail: landelijk.bureau@fiom.nl. Zie ook de website van Fiom (onder 'Meer informatie').
  • Siriz, Postbus 559, 3800 AN Amersfoort, telefonische hulplijn 0900 - 202 10 88, e-mail: hulp@siriz.nl. Zie ook de website van Siriz (onder 'Meer informatie').

De hulpverlening aan de ouders is met name gericht op hun sociale en psychische problemen. Ook de betrokkenheid bij de zorg voor het kind of een mogelijke hereniging of bezoekregeling horen bij de begeleiding. Wat in de periode van de zwangerschap niet mogelijk is geweest, kan nu wellicht wel gerealiseerd worden. Zo wordt met de ouders en eventuele familie besproken wat de motieven waren om het kind achter te laten. Was er bijvoorbeeld sprake van dwang, paniek of seksueel geweld? Vervolgens wordt bekeken of de ouders het kind zelf willen opvoeden, het kind willen afstaan ter adoptie of dat een pleeggezin een betere oplossing is.

Meer informatie

Naar boven

Adoptie of pleegzorg

Ouders die zelf geen mogelijkheden zien om hun kind op te voeden, kunnen afstand doen van hun kind. Het kind kan dan door anderen geadopteerd worden. Willen ouders geen afstand doen, dan kan het kind in een pleeggezin geplaatst worden. Fiom en Siriz begeleiden ouders bij deze keuze.

Naar boven

Zelf opvoeden met vrijwillige hulp

Veel problemen lijken in het begin groter dan ze werkelijk zijn. Verschillende drempels zijn, met de juiste ondersteuning, te overwinnen. De maatschappelijk werkers van Fiom en Siriz kunnen bijvoorbeeld hulp bieden bij de contacten tussen de ouders en grootouders van het kind. Ook kunnen de ouders bij Fiom, Siriz en andere instellingen zoals het algemeen maatschappelijk werk, terecht voor ondersteuning bij het zelfstandig opvoeden van het kind.

Naar boven

Media-aandacht

Nederland heeft niet vaak met een vondeling te maken. Als het gebeurt, trekt dat veel aandacht. Sommige media stellen alles in het werk om zo veel mogelijk over de vondeling en de ouders te weten te komen. Deze aandacht en nieuwsgierigheid kunnen schadelijk zijn voor de betrokkenen.

Iedereen die beroepsmatig met de vondeling te maken krijgt, respecteert daarom de privacy van kind en ouders en garandeert strikte geheimhouding. Dat voorkomt onnodige onrust rond het kind en de ouders. Zo wordt het risico beperkt dat het kind, de natuurlijke ouders en eventuele pleeg- of adoptieouders steeds opnieuw geconfronteerd worden met de voorgeschiedenis van het kind. De betrokken instanties verstrekken daarom geen informatie over de vondeling aan de media. Wel wordt algemene informatie gegeven, zoals op deze website. Over het algemeen begrijpen de media dit beleid en respecteren ze het.

Naar boven

Geen vondelingenluiken

In de media doemt regelmatig de vraag op of het realiseren van zogenoemde vondelingenluiken een oplossing is om te voorkomen dat achtergelaten kinderen het gevaar lopen te overlijden. Vondelingenluiken zijn plekken waar iemand een kind veilig en anoniem kan achterlaten. In Nederland zijn geen vondelingenluiken. Daar zijn goede redenen voor.

Uit gegevens van andere landen blijkt dat vondelingenluiken niet leiden tot een afname van het aantal vondelingen buiten de luiken. Daarnaast bestaat het risico dat vondelingenluiken misbruikt worden door anderen dan de ouder(s) om zich van een ongewenst kind te ontdoen. Voor ongewenst zwangere vrouwen zelf kan het de drempel verhogen om hulp te zoeken. Nederland zet juist sterk in op het bespreekbaar maken van een ongewenste zwangerschap en op het bieden van hulp. Een vondelingenluik suggereert ten onrechte dat het hulpeloos en zonder identiteit achterlaten van een kind een acceptabele oplossing is voor een ongewenste zwangerschap. Daarmee wordt voorbijgegaan aan het recht van kinderen hun op te groeien bij hun eigen ouders en – als dat onmogelijk is – in ieder geval hun afkomst te kennen. Dat recht is vastgelegd in het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) dat door Nederland in 1995 is geratificeerd.

Naar boven

Baby op handdoek